Ursula Kubler


81, Eus (dep. Pyrenées-Orientales), 18 januari, doodsoorzaak onbekend

Oorspronkelijk Zwitsers actrice, eigenlijk Ursula Kübler, ook bekend als Ursula Vian. Onder meer in Merci Natercia! (Pierre Kast, 1960), Le bel âge (Kast, 1960), La morte saison des amours (Kast, 1961), Vie privée (Louis Malle, 1962), Le repos du guerrier (Roger Vadim, 1962), Le vice et la vertu (Vadim, 1963), Le feu follet (Malle, 1963), Les créatures (Agnès Varda, 1966), L’écume des jours (naar roman van Boris Vian; Charles Belmont, 1968), Boulevard du Rhum (Robert Enrico, 1971) en Les soleils de l’Íle de Pâques (Kast, 1972). Weduwe van schrijver, zanger, componist en platenproducent Boris Vian.

Erich Segal


72, Londen, 17 januari, hartaanval

Amerikaans (scenario)schrijver, classicus en gelegenheidsacteur. Schreef de bestseller Love Story aanvankelijk als scenario, hoewel het boek eerder uitkwam. De verfilming (Arthur Hiller, 1970) werd een groot succes. De tearjerker gaat over een student van rijke komaf (Ryan O’Neal) die ondanks forse tegenwerking met een arm meisje (Ali MacGraw) trouwt, maar haar snel verliest aan een ongeneeslijke ziekte. Voor het personage van O’Neal zouden twee voormalige huisgenoten van Segal model hebben gestaan, de latere politicus Al Gore en acteur Tommy Lee Jones. Voor zijn scenario kreeg Segal een Oscarnominatie. Eerder had hij al meegeschreven aan de Beatles-tekenfilm Yellow Submarine (George Dunning, 1968) en het scenario geleverd voor twee minder bekende films, The Games (Michael Winner, 1970) en R.P.M. (Stanley Kramer, 1970). Ook schreef hij het vervolg Oliver”s Story (naar zijn eigen roman;John Korty, 1978), alsmede Jennifer on My Mind (Noel Black, 1971), A Change of Seasons (naar zijn roman; Richard Lang, 1980) en Man, Woman and Child (naar zijn roman; Dick Richards, 1983). Speelde een rolletje in de Franse policier Sans mobile apparent (Philippe Labro, 1971) en was te zien als gondelier in Jennifer on My Mind. Jurylid in Cannes (1971). Doceerde Latijnse en Griekse literatuur, onder meer aan Harvard en in Oxford.

Julian More


81, Marseille, 15 januari, doodsoorzaak onbekend

Welsh liedjes- en scenarioschrijver. Librettist en liedtekstauteur van twee succesvolle theatermusicals uit 1958, die ook verfilmd zouden worden. Expresso Bongo (Val Guest, 1959), een musical over de jazzscene van Londen, introduceerde de 18-jarige Cliff Richard. Toen echter Irma la Douce werd verfilmd (Billy Wilder, 1963), verdwenen alle liedjes in de prullenbak. Wel schreef hij een liedje voor de grote Oscarwinnaar van dat jaar, de kostuumfilm Tom Jones (Tony Richardson, 1963). Voorts scenarioschrijver van de horrorproductie Incense for the Damned (Robert Hartford-Davis, 1970) en een vroege biografie van modekoningin Coco Chanel, Chanel Solitaire (George Kaczender, 1981), met Marie-France Pisier in de titelrol tegenover Rutger Hauer, Timothy Dalton en Karen Black. More verhuisde in 1976 naar Zuid-Frankrijk, waar hij zich specialiseerde in het schrijven van reisboeken.

Andrés Pazos


64, Santiago de Compostela, 14 januari, kanker

Oorspronkelijk Spaans acteur. Emigreerde als kind met zijn ouders naar Uruguay, waar hij later in enkele films zou spelen. Vertolkte de hoofdrol in Whisky (Juan Pablo Rebella en Pablo Stoll, 2004).

Elizabeth Moody


70, Christchurch, 12 januari, longontsteking

Nieuw-Zeelands actrice en toneelregisseur. Speelde de moeder in de horrorsatire Braindead (Peter Jackson, 1992) en was ook te zien in ander films van Jackson, zoals Heavenly Creatures (1994) en de lange versie van The Lord of the Rings: The Fellowship of the Ring (2001), alsmede in The Scarecrow (Sam Pillsbury, 1982) en Undercover Gang (Peter Sharp, 1986).

Kees Linthorst


63, Amsterdam, 12 januari, hartstilstand

Nederlands geluidsman, editor en sound mixer. Bediende zich soms van pseudoniemen als Mike Boom en Anna N. R. Loogh, vooral wanneer hij tegen symbolische vergoeding werkte aan minimal movies uit de stal van Pim de la Parra. Studeerde in 1972 af aan de Filmacademie met de specialisaties geluid en montage. Pionier in Nederland op het gebied van de geluidsmontage. Nam het geluid op van de meeste films van Scorpio Film (Wim Verstappen en Pim de la Parra) en beijverde zich constant voor de professionalisering van de Nederlandse filmnijverheid. Verzette zich tot het uiterste tegen het gebruik van zendermicrofoons, die naar zijn mening onwaarachtig geluid opleverden. Won in 1981 de eerste vakprijs (geluid) van de Nederlandse Filmdagen, die toen nog een onderscheiding voor een heel oeuvre betekende. Tot de bekendste films, waarvan Linthorst het geluid opnam, behoren Drop-out (Verstappen, 1971), Blue Movie (Verstappen, 1971), Mira (Fons Rademakers, 1971), The Family (Lodewijk de Boer, 1973), Rooie Sien (Frans Weisz, 1975), Dakota (Verstappen, 1975), Max Havelaar (Rademakers, 1976), Pastorale 1943 (Verstappen, 1978), Vroeger kon je lachen (Bert Haanstra, 1983), De Anna (Erik van Zuylen, 1983), An Bloem (Peter Oosthoek, 1984), De grens (Leon de Winter, 1984), De prooi (Vivian Pieters, 1985) en De ratelrat (Verstappen, 1987). Hij monteerde het geluid van onder meer Roar (Noel Marshall, 1981), Flesh + Blood (Paul Verhoeven, 1985) en De avonden (Rudolf van den Berg, 1989). Ook verantwoordelijk voor de beeldmontage van de laatste drie films van Rademakers: Mijn vriend (1979), Oscarwinnaar De aanslag (1986) en The Rosegarden (1989), alsmede van Hector (Stijn Coninx, 1987), Odyssee d’amour (De la Parra, 1987), Een wolk van groen (Kees Hin, 1990), De zwijgende reiziger (Ibrahim Selman, 1994) en Blois: Couleur locale (Rolf Orthel, 2002). Getrouwd geweest met filmjournaliste Gerdin Linthorst, die hem als kroongetuige opvoert in haar boek De droomfabriek. Achter de schermen van de speelfilm (1988).