Welsh liedjes- en scenarioschrijver. Librettist en liedtekstauteur van twee succesvolle theatermusicals uit 1958, die ook verfilmd zouden worden. Expresso Bongo (Val Guest, 1959), een musical over de jazzscene van Londen, introduceerde de 18-jarige Cliff Richard. Toen echter Irma la Douce werd verfilmd (Billy Wilder, 1963), verdwenen alle liedjes in de prullenbak. Wel schreef hij een liedje voor de grote Oscarwinnaar van dat jaar, de kostuumfilm Tom Jones (Tony Richardson, 1963). Voorts scenarioschrijver van de horrorproductie Incense for the Damned (Robert Hartford-Davis, 1970) en een vroege biografie van modekoningin Coco Chanel, Chanel Solitaire (George Kaczender, 1981), met Marie-France Pisier in de titelrol tegenover Rutger Hauer, Timothy Dalton en Karen Black. More verhuisde in 1976 naar Zuid-Frankrijk, waar hij zich specialiseerde in het schrijven van reisboeken.
Oorspronkelijk Spaans acteur. Emigreerde als kind met zijn ouders naar Uruguay, waar hij later in enkele films zou spelen. Vertolkte de hoofdrol in Whisky (Juan Pablo Rebella en Pablo Stoll, 2004).
Nieuw-Zeelands actrice en toneelregisseur. Speelde de moeder in de horrorsatire Braindead (Peter Jackson, 1992) en was ook te zien in ander films van Jackson, zoals Heavenly Creatures (1994) en de lange versie van The Lord of the Rings: The Fellowship of the Ring (2001), alsmede in The Scarecrow (Sam Pillsbury, 1982) en Undercover Gang (Peter Sharp, 1986).
Nederlands geluidsman, editor en sound mixer. Bediende zich soms van pseudoniemen als Mike Boom en Anna N. R. Loogh, vooral wanneer hij tegen symbolische vergoeding werkte aan minimal movies uit de stal van Pim de la Parra. Studeerde in 1972 af aan de Filmacademie met de specialisaties geluid en montage. Pionier in Nederland op het gebied van de geluidsmontage. Nam het geluid op van de meeste films van Scorpio Film (Wim Verstappen en Pim de la Parra) en beijverde zich constant voor de professionalisering van de Nederlandse filmnijverheid. Verzette zich tot het uiterste tegen het gebruik van zendermicrofoons, die naar zijn mening onwaarachtig geluid opleverden. Won in 1981 de eerste vakprijs (geluid) van de Nederlandse Filmdagen, die toen nog een onderscheiding voor een heel oeuvre betekende. Tot de bekendste films, waarvan Linthorst het geluid opnam, behoren Drop-out (Verstappen, 1971), Blue Movie (Verstappen, 1971), Mira (Fons Rademakers, 1971), The Family (Lodewijk de Boer, 1973), Rooie Sien (Frans Weisz, 1975), Dakota (Verstappen, 1975), Max Havelaar (Rademakers, 1976), Pastorale 1943 (Verstappen, 1978), Vroeger kon je lachen (Bert Haanstra, 1983), De Anna (Erik van Zuylen, 1983), An Bloem (Peter Oosthoek, 1984), De grens (Leon de Winter, 1984), De prooi (Vivian Pieters, 1985) en De ratelrat (Verstappen, 1987). Hij monteerde het geluid van onder meer Roar (Noel Marshall, 1981), Flesh + Blood (Paul Verhoeven, 1985) en De avonden (Rudolf van den Berg, 1989). Ook verantwoordelijk voor de beeldmontage van de laatste drie films van Rademakers: Mijn vriend (1979), Oscarwinnaar De aanslag (1986) en The Rosegarden (1989), alsmede van Hector (Stijn Coninx, 1987), Odyssee d’amour (De la Parra, 1987), Een wolk van groen (Kees Hin, 1990), De zwijgende reiziger (Ibrahim Selman, 1994) en Blois: Couleur locale (Rolf Orthel, 2002). Getrouwd geweest met filmjournaliste Gerdin Linthorst, die hem als kroongetuige opvoert in haar boek De droomfabriek. Achter de schermen van de speelfilm (1988).
Frans regisseur, scenarist en criticus, pseudoniem van Maurice Henri Joseph Scherer. Invloedrijk en productief filmauteur, een van de grondleggers van de Nouvelle Vague, werd nooit een bekende naam bij het grote publiek, maar een held van cinefielen en collega-filmmakers. Favoriet op vele grote filmfestivals won nooit een Gouden Palm of een Oscar, maar werd wel genomineerd voor een Oscar als scenarioschrijver van Ma nuit chez Maud (1969), die tevens genomineerd werd als beste buitenlandse film. Ook won Rohmer een Gouden Leeuw in Venetië voor Le rayon vert (1986), de speciale juryprijs in Cannes voor Die Marquise von O. (1976) en een Zilveren Beer in Berlijn voor Pauline à la plage (1983).
Literatuurdocent Rohmer was een jaar of tien ouder dan de andere jonge critici (Jean-Luc Godard, François Truffaut, Claude Chabrol, Jacques Rivette) die begin jaren vijftig een politique des auteurs formuleerden, zich afzetten tegen de steriele traditie van Franse kwaliteitsfilms en allen later zelf gingen regisseren, onder de noemer Nouvelle Vague. Voor hen was het handschrift van de maker belangrijker dan de (literaire) inhoud. Rohmer leidde als eerste van hen een min of meer geregeld leven en nodigde de anderen vaak te eten uit bij hem thuis. In 1950 mede-oprichter van La gazette du cinéma, later van Les Cahiers du Cinéma, het hemelbestormende filmtijdschrift dat hij in de glorietijd (1957-63) als hoofredacteur leidde. Publiceerde in 1957 met Chabrol de baanbrekende studie Hitchcock.
Rohmer was ook de eerste die begon zelf te filmen, zijn korte debuutfilm Journal d’un scélérat dateert van 1950, gevolgd door Bérénice (1954) en La sonate à Kreutzer (1956). De eerste lange film was het losse en vrije Le signe du lion (1959).
Rohmer propageerde de zuiver filmische beginselen van de Nouvelle Vague, maar schreef ook altijd zelf de elegante en bespiegelende scenario’s, waarin taal en de verhouding tussen verstand en gevoel een belangrijke rol speelden. Slechts bij hoge uitzondering trad hij zelf voor het voetlicht om zijn opvattingen over vorm en inhoud verbaal toe te lichten.
Zijn films bestonden uit een aantal samenhangende cycli en een handvol min of meer op zichzelf staande, literaire kostuumfilms: Die Marquise von O. (naar Heinrich von Kleist; 1976), Perceval le Gallois (naar het heldendicht van Chrétien de Troyes; 1978), L’anglaise et le duc (naar de memoires van Grace Elliott; 2001) en Les amours d’Astrée et de Céladon (naar Honoré d’Urfé; 2007).
Rohmers eerste cyclus noemde hij de contes moraux (morele vertellingen) en bestond uit twee korte films (La boulangère de Monceau, 1962 en La carrière de Suzanne, 1963) en vier lange: La collectionneuse (1967), Ma nuit chez Maud (1969), Le genou de Claire (1970) en L’amour l’après-midi (1972). Rode draad vormden de rationele belemmeringen van intellectuelen bij het ervaren van hun emoties.
In 1980 begon Rohmer aan een nieuwe cyclus, waarin de romantische avonturen van jongeren werden verwerkt tot blijspelen in de beste Franse theatertraditie. Hij noemde ze comédies et proverbes (komedies en spreekwoorden): La femme de l’aviateur (1981), Le beau mariage (1982), Pauline à la plage (1983), Les nuits de la pleine lune (1984), Le rayon vert (1986), 4 aventures de Reinette et Mirabelle (1987) en L’ami de mon amie (1987). Vervolgens entameerde hij opnieuw een morele cyclus, die hij de contes de quatre saisons (vertellingen van de vier jaargetijden) doopte: Conte de printemps (1990), Conte d’hiver (1992), Conte d’été (1996) en Conte d’automne (1998). Voorts regisseerde hij het gefictionaliseerde essay L’arbre, le maire et la médiathèque (1993), het romaneske Les rendez-vous de Paris (1995), het historische spionagedrama Triple Agent (2004) en de korte film Le canapé rouge (2005).
Oorspronkelijk Pools, in het toenmalige Rusland geboren Frans actrice, pseudoniem van Esther Gorinsztejn. Debuteerde op haar 85ste in Voyages (Emmanuel Finkiel, 1999). Speelde met groot succes de hoofdrol in Depuis qu’Otar est parti… (Julie Bertucelli, 2003). Ook in films als Le stade de Wimbledon (Mathieu Amalric, 2001), Carnages (Delphine Gleize, 2002), Les mots bleus (Alain Corneau, 2005), Bednje rodstvenniki (Pavel Loengin, 2005) en L’enfer (Danis Tanovic, 2005).