87, Amsterdam, 7 december, gevolgen van ziekte van Alzheimer
Nederlands film- en televisieregisseur, voluit Frans Andor Bemjamin Weisz. Zoon van Hongaars-Joodse, voor het nazisme uit Berlijn naar Amsterdam gevluchte toneelspeler Géza Weisz. De moord op zijn vader in Auschwitz n het zelf opgroeien in onderduik en pleeggezinnen maakte van de Holocaust een centraal thema in Weisz’ werk: de voor hem belangrijkste speelfilm Charlotte (1980), over schilder en theatermaker Charlotte Salomon, en de verfilming van Judith Herzbergs theatertrilogie over ‘survivor guilt’ en tweede-generatietrauma’s Leedvermaak (Gouden Kalf beste regie; 1989), Qui vive (2001) en Happy End (2009). Weisz, die afstudeerde in de eerste eindexamenklas van de Nederlandse Filmacademie (1960), gevolgd door enkele jaren Centro Sperimentale in Rome, was een centrale figuur in de zogeheten Eerste Golf en bracht Midden-Europese zwier en Felliniaanse fantasie in de Nederlandse spruitjescultuur.
Na enkele Italiaanse korte films (Ping pong e poi, 1962; Helden in een schommelstoel, 1964) en de met de Staatsprijs voor de Filmkunst bekroonde korte film Een zondag op het eiland van de Grande Jatte (1965), een Resnais-achtige droom met Nederlandse schrijvers in de hoofdrol, maakte Weisz zijn eerste lange speelfilm, Het gangstermeisje (geschreven door Remco Campert; 1966). Het geringe succes van die film dwong de regisseur in de richting van de commercie: hij regisseerde ruim 150 reclamespots, de multiscreenshow Expo 70 (1970) voor de wereldtentoonstelling in Osaka en maakte de populaire misdaadfilms De inbreker (1972) en Naakt over de schutting (1973), gevolgd door het eveneens zeer geslaagde melodrama Rooie Sien (1974).
Na de pijnlijke flop van komedie Heb medelij, Jet! (naar Heere Heeresma; 1975) ging het roer opnieuw om. Voor televisie regisseerde hij registraties van Hauser Orkaters theatervoorstellingen Entrée Brussels (1978) en Striptease! (1979) en na Charlotte ook de Werkteaterfilm Een zwoele zomeravond (samen met Shireen Strooker; 1982). Daarna volgden grotendeels intieme boekverfilmingen als Havinck (naar Marja Brouwers; 1987), Bij nader inzien (tv-serie naar J.J. Voskuil, Gouden Kalf voor regie; 1991), Op afbetaling (tv-serie en film, naar Simon Vestdijk, 1992) en Hoogste tijd (naar Harry Mulisch; 1995). Vervolgens regisseur van de politieke tv-serie Het jaar van de opvolging (1998), Een vrouw van het noorden (naar Louis Couperus;1999), de telefilms Storm in mijn hoofd (2000) en Boy Ecury (geschreven door Arthur Japin; 2003), de documentaire Hopsi Topsiland (2006), de korte film Terug naar Moreelse Park (2008), Leven? Of theater? (documentaire over Charlotte Salomon; 2011), de jeugdfilm Finn (2013), de documentaire Het vermoorde theater (2018) en de elegante zwanenzang Het leven is vurrukkulluk (naar de roman van Remco Campert; 2018), met een hoofdrol voor Frans’ zoon Géza Weisz, acteur als zijn gelijknamige grootvader.
Weisz schreef in principe niet zelf zijn films, maar kreeg desondanks een (aanvullende) scenariocredit voor Het gangstermeisje, Rooie Sien, Striptease, Charlotte, Leedvermaak, Hopsi Topsiland en Het vermoorde theater, alsmede voor de korte film Moreelse Park (tevens acteur; Rob du Mée, 1959) en Abel (Alex van Warmerdam, 1986). Acteur in de korte films Aah… Tamara (Pim de la Parra, 1965), Jongens, jongens, wat een meid (De la Parra, 1965), in Als in een roes… (De la Parra, 1986) en in de tv-serie A’dam -E.V.A. (als rabbijn; Norbert ter Hall, 2016). In 2023 verscheen Frans Weisz: Dagboek van een filmmaker, door Harry Hosman bezorgde dagboekaantekeningen bij de meeste van zijn films. Getrouwd met psychotherapeut Regina van Gelderen, voormalig partner van de Canadese actrice Astrid Weyman, niet-biologische vader van stillfotograaf Pief Weyman.