George Segal

 

87, Santa Rosa CA, 23 maart, complicaties van hartoperatie

Amerikaans steracteur en banjospeler. Kreeg een Oscarnominatie voor zijn rol in de filmversie van Who’s Afraid of Virginia Woolf? (Mike Nichols, 1966), net als alle drie andere acteurs in die film, van wie alleen Elizabeth Taylor en Sandy Dennis de nominatie verzilverden. De rol was overigens oorspronkelijk bedoeld voor Robert Redford. Segal, die een lange filmcarrière had door zowel komische als dramatische rollen, wordt algemeen beschouwd als de eerste mannelijke filmster in de VS die zijn Joodse achternaam niet veranderde in een meer Engels klinkend alternatief. De geboren New Yorker volgde een opleiding aan de Actors Studio en was aanvankelijk vooral actief in het theater. Columbia bood hem een contract, na een bescheiden filmdebuut als een van The Young Doctors (Phil Karlson, 1961). Bijrollen volgden in The Longest Day (episodes Andrew Marton, 1962), Act One (Dore Schary, 1963) en The New Interns (John Rich, 1964). Eerste hoofdrol in de western Invitation to a Gunfighter (Richard Wilson, 1964). In 1964 werd Segal bij de Golden Globes uitgeroepen tot een van de Nieuwe Sterren van het Jaar. Segal begon ook op te vallen in dramatische rollen, in Ship of Fools (Stanley Kramer, 1965) en King Rat (voor het eerst top-billed; Bryan Forbes, 1965). Rond die tijd speelde Segal prominente rollen in tv-versies van Arthur Millers Death of a Salesman (als Biff; Alex Segal, 1966), The Desperate Hours (Ted Kotcheff, 1967) en John Steinbecks of Mice and Men (top-billed als George; Kotcheff, 1968). Ook in de oorlogsfilm Lost Command (Mark Robson, 1966), The Quiller Memorandum (top-billed in de titelrol; Michael Anderson, 1966), de gangsterfilm The St. Valentine’s Day Massacre/Slachting in Chicago (Roger Corman, 1967),

Bye Bye Braverman (top-billed; Sidney Lumet, 1968), No Way to Treat a Lady (Jack Smight, 1968), het Italiaanse Tenderly (Franco Brusati, 1968), The Southern Star (top-billed tegenover Ursula Andress en Orson Welles; Sidney Hayers. 1969), The Bridge at Remagen (top-billed; John Guillermin, 1969) en Loving (top-billed; Irvin Kershner, 1970). Na de hilarische moordklucht Where’s Poppa? (top-billed; Carl Reiner, 1970) speelde Segal in meer komedies: The Owl and the Pussycat (tegenover Barbra Streisand; Herbert Ross, 1970), Born to Win (top-billed; Ivan Passer, 1971), The Hot Rock (tegenover Redford; Peter Yates, 1972), Blume in Love (top-billed; Paul Mazursky, 1973) en A Touch of Class/Een slippertje met allure (top-billed tegenover Glenda Jackson; Melvin Frank, 1973).

Voorlopig hoogtepunt in deze reeks was de cultfilm over twee gokkers California Split (top-billed tegenover Elliott Gould; Robert Altman, 1974). In de volgende periode bleef commercieel succes veelal uit: The Terminal Man (top-billed; Mike Hodges, 1974), Russian Roulette/Het spel met de dood (top-billed; Lou Lombardo, 1975), The Black Bird (top-billed als Sam Spade Jnr, tevens producent; David Giler, 1975), The Duchess and the Dirtwater Fox/De hertogin en de vagebond (top-billed tegenover Goldie Hawn; Frank, 1976), Fun with Dick and Jane/Handen van mijn gazon (tegenover Jane Fonda; Kotcheff, 1977), de rampenfilm Rollercoaster (top-billed; James Goldstone, 1977), Who Is Killing the Great Chefs of Europe? (top-billed; Kotcheff, 1978), Lost and Found (top-billed tegenover Jackson; Frank, 1979) en The Last Married Couple in America (top-billed tegenover Natalie Wood; Gilbert Cates, 1980). In de volgende decennia nam de frequentie van zijn films af: Carbon Copy (top-billed als de vader van Denzel Washington; Michael Schultz, 1981), het Canadese Killing ‘em Softly (top-billed; Max Fischer, 1982), Stick (Burt Reynolds, 1985), het Italiaans-Britse Run for Your Life (Terence Young, 1988), All’s Fair (top-billed; Rocky Lang, 1989), Look Who’s Talking (Amy Heckerling, 1989), For the Boys (tegenover Bette Midler; Mark Rydell, 1991), het Russische Feofania, risoejoesjtsjaja smert/The Clearing (Vladimir Alenikov, 1991), het Italiaanse Un orso chiamato Arturo/A Bear Called Arthur (top-billed; Sergio Martino, 1992), Me Myself and I (Pablo Ferro, 1992), Look Who’s Talking Now (Tom Ropelewski, 1993), Joshua Tree (Vic Armstrong, 1993), Deep Down (top-billed; John Travers, 1994), To Die For (cameo; Gus Van Sant, 1995), The Babysitter (Guy Ferland, 1995), It’s My Party (Randal Kleiser, 1996), Flirting with Disaster (David O. Russell, 1996), The Mirror Has Two Faces (Streisand, 1996), Heights (Chris Terrio, 2005), Three Days to Vegas (Charlie Picerni, 2007), Made for Each Other (Daryl Goldberg, 2009), 2012 (Roland Emmerich, 2009), Love & Other Drugs (Edward Zwick, 2010) en Elsa & Fred (Michael Radford, 2014). In de tweede helft van zijn loopbaan steeds meer tv-rollen en incidenteel stemacteur. Maakte verschillende albums als banjospeler, zowel solo als in (dixieland)ensembles. Eerste van drie huwelijken was met editor en producent Marion Sobel.

Plaats een reactie