Jean-Paul Belmondo

88, Parijs, 6 september, doodsoorzaak onbekend

 

Frans steracteur en producent, koosnaam: Bébel. Zoon van beeldhouwer Paul Belmondo. Werd in een klap een wereldster door zijn hoofdrol van een charismatische gangster met boksersneus in À bout de souffle (Jean-Luc Godard, 1960), het vlaggenschip van de nouvelle vague. Godard bleef Belmondo trouw in Une femme est une femme (1961) en Pierrot le fou (1965). Werd allengs een publiekslieveling met zijn schelmenfilms, waarin hij vaak zijn eigen stunts verrichtte, en die vanaf  1972 ook veelal door hemzelf werden geproduceerd, via de naar zijn grootmoeder vernoemde maatschappij Cerito Films. Won pas zijn eerste César voor Itinéraire d’un enfant gâté (Claude Lelouch, 1988), tevens Belmondo’s laatste grote succes. Hij nam hem niet zelf in ontvangst, maar kreeg wel nog een honoraire Gouden Palm (2011) en Gouden Leeuw (2016). Na enkele rollen in het Parijse theater, maakte Belmondo zijn filmdebuut met een rolletje in de komedie À pied, à cheval et en voiture (Maurice Delbez, 1957), gevolgd door onder meer Sois belle et tais-toi (Marc Allégret, 1958), Les tricheurs/Zondaars in spijkerbroek (Marcel Carné, 1958), Un drôle de dimanche (Allégret, 1958) en Ein Engel auf Erden/Rendez-vous aan de Côte d’Azur (tegenover Romy Schneider; Géza von Radványi, 1959). Belmondo’s eerste films uit de nouvelle vague waren het korte Charlotte et son Jules (stem ingesproken door de regisseur; Godard, 1958) en À double tour (Claude Chabrol, 1959). Na de misdaadfilm Classe tous risques (Claude Sautet, 1960) was de nieuwe ster te zien in enkele ‘zware’ films, zoals het door Marguerite Duras geschreven Moderato cantabile (tegenover Jeanne Moreau; Peter Brook, 1960) en als priester in Léon Morin, prêtre (Jean-Pierre Melville, 1961). Het was regisseur Philippe de Broca, die het imago kneedde van de schelm Belmondo in een reeks geraffineerde actiefilms: Cartouche (1962), L’homme de Rio (1964), Les tribulations d’un Chinois en Chine/De lotgevallen van een ‘Chinees’ in China (1965), Le magnifique/The Man from Acapulco (1973) en L’incorrigible (1975).

Een greep uit de overige films: La ciociara/Two women (tegenover Sophia Loren; Vittorio de Sica, 1960), La viaccia (Mauro Bolognini, 1961), Un nommé La Rocca (Jean Becker, 1961), Un singe en hiver (tegenover Jean Gabin; Henri Verneuil, 1962), Le doulos (Melville, 1962), Dragées au poivre/Fijn…’t is gepeperd (Jacques Baratier, 1963), L’aîné des Ferchaux/Het einde van een gentleman (Melville, 1963), Peau de banane/De avonturiers (Marcel Ophüls, 1963), Cent mille dollars au soleil (Verneuil, 1964), Échappement libre/Ontsnapping uit de Oriënt (Becker, 1964), La chasse à l’homme (Édouard Molinaro, 1964), Week-end à Zuydcoote/Weekend bij Duinkerken (Verneuil, 1964), Tendre voyou (Becker, 1966), Paris brûle-t-il?/Is Paris Burning? (René Clément, 1966), Le voleur (Louis Malle, 1967), Casino Royale (Ken Hughes, Val Guest en John Huston, 1967), Ho! (Robert Enrico, 1968), La sirène du Mississippi (François Truffaut, 1969), Le cerveau/The Brain (Gérard Oury, 1969), Un homme qui me plait (Lelouch, 1969), Borsalino (tegenover rivaal Alain Delon; Jacques Deray, 1970), Les mariés de l’an II (Jean-Paul Rappeneau, 1971), Le case/The Burglars (Verneuil, 1971), Docteur Popaul (eerste eigen productie; Chabrol, 1972), La scoumoune/De man van Marseille (José Giovanni, 1972), L’héritier (Philippe Labro, 1973), Stavisky… (Alain Resnais, 1974), Peur sur la ville (Verneuil, 1975), L’alpagueur (Labro, 1976) en Le corps de mon ennemi (Verneuil, 1976).

Met L’animal (Claude Zidi, 1977) begint een cyclus van door Cerito geproduceerde kluchtige actievehikels, die in heel Europa tot halverwege de jaren 80 buitengewoon succesvol zouden worden: Flic ou voyou/’n Moordbandiet (Georges Lautner, 1979), Le guignolo/De losbol (Lautner, 1980), Le professionnel (Lautner, 1981), L’as des as/Aas der azen (Oury, 1982), Le marginal/Kantje boord (Deray, 1983), Les morfalous/The Vultures (Verneuil, 1984), Joyeuses Pâques (Lautner, 1984), Hold-Up (Alexandre Arcady, 1985) en Le solitaire (Deray, 1987). De spaarzame latere films van Belmondo hadden een meer ingetogen karakter en relatief weinig succes: L’inconnu dans la maison (Lautner, 1992), Les 101 nuits de Simon Cinéma (Agnès Varda, 1995), Les misérables (Lelouch, 1995), Désiré (Bernard Murat, 1996), 1 chance sur 2 (tegenover Delon; Patrice Leconte, 1998), Peut-être (Cédric Klapisch, 1999), Les acteurs (Bertrand Blier, 2000), Amazone (De Broca, 2000) en Un homme et son chien (Francis Huster, 2008). Schreef al in 1963 zijn eerste autobiografie, 30 ans et 25 films, gevolgd door Belmondo – 40 ans de carrière (1996), Belmondo par Belmondo (2016) en Mille vies valent mieux qu’une (2016). Woonde na de scheiding van ballerina Elodie Constant onder meer samen met de actrices Ursula Andress (1965-72) en Laura Antonelli (1972-80).

 

Plaats een reactie