David L. Wolper


82, Beverly Hills, 10 augustus, hartfalen tijdens het televisiekijken

Amerikaans televisie- en filmproducent. Winnaar van drie Emmy’s, onder meer voor de baanbrekende dramaseries Roots (1977) en Roots: The Next Generation (1979), plus nog zeven andere nominaties, bijvoorbeeld voor The Thorn Birds (1983). Oscarnominatie voor de lange documentaire The Race for Space (Wolper, 1959) en door de Academy onderscheiden met de Jean Hersholt Humanitarian Award (1985). Produceerde ook bioscoopfilms als The Devil’s Brigade (Andrew V. McLaglen, 1968), If It’s Tuesday, This Must Be Belgium (Mel Stuart, 1969), The Bridge at Remagen (John Guillermin, 1969), I Love My Wife (Stuart, 1970), de lange insectendocumentaire The Hellstrom Chronicle (Walon Green en Ed Spiegel, 1971), de eerste verfilming van Roald Dahls Willy Wonka and the Chocolate Factory/Sjakie en de Chocoladefabriek (Stuart, 1972), King, Queen, Knave (Jerzy Skolimowski, 1972), de muziekdocumentaire Wattstax (Stuart, 1973), de documentaire-omnibus over de Olympische Spelen van München Visions of Eight (Michael Pfleghar, Kon Ichikawa, Milos Forman, Claude Lelouch, Joeri Ozerov, Arthur Penn, John Schlesinger en Mai Zetterling, 1973), het oorspronkelijk voor televisie bedoelde Victory at Entebbe (Marvin J. Chomsky, 1976), de muziekfilm This Is Elvis (Malcolm Leo en Andrew Solt, 1981), de documentaire Imagine: John Lennon (Solt, 1988), Murder in the First (Marc Rocco, 1995), Surviving Picasso (James Ivory, 1996) en als executive producer de voor 9 Oscars genomineerde James Ellroy-verfilming L.A. Confidential (Curtis Hanson, 1997). Produceerde ook de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Los Angeles (1984).

George DiCenzo


THE NINTH CONFIGURATION
70, Bucks County PA, 9 augustus, bloedvergiftiging

Amerikaans bijrolacteur. Vooral televisiewerk, ook in films als Across 110th Street (Barry Shear, 1972), Close Encounters of the Third Kind (Steven Spielberg, 1977), The Choirboys (Robert Aldrich, 1977), The Frisco Kid (Aldrich, 1979), The Ninth Configuration (William Peter Blatty, 1980), Gangster Wars (Richard C. Sarafian, 1981), Back to the Future (Robert Zemeckis, 1985), About Last Night (Edward Zwick, 1986), 18 Again! (Paul Flaherty, 1988), The New Adventures of Pippi Longstocking (Ken Annakin, 1988), The Exorcist III (Blatty, 1990), Illuminata (John Turturro, 1998), Hotel (Mike Figgis, 2001) en A Guide to Recognizing Your Saints (Dito Montiel, 2006).

Patricia Neal


84, Edgartown MA, 8 augustus, longkanker

Amerikaans actrice, eigenlijk Patsy Louise Neal. Won een Oscar als beste actrice voor Hud (tegenover Paul Newman; Martin Ritt, 1963) en werd in dezelfde categorie genomineerd voor The Subject Was Roses (Ulu Grosbard, 1968). Turbulente biografie was het onderwerp van de televisiefilm The Patricia Neal Story (Anthony Harvey en Anthony Page, 1981), met Glenda Jackson in de rol van Neal en Dirk Bogarde als haar echtgenoot, de Brits-Noorse schrijver Roald Dahl. Die hielp haar herstellen van een ernstige beroerte in 1965, maar het huwelijk, tevens geteisterd door het verlies in 1962 van een 7-jarig dochtertje aan de mazelen, strandde in 1983. Ook veel publiciteit genereerde Neals zenuwinstorting begin jaren vijftig, nadat Gary Cooper, haar 25 jaar oudere tegenspeler in The Fountainhead (King Vidor, 1949), eerst zijn echtgenote voor haar in de steek had gelaten, maar toch weer was teruggekeerd naar zijn gezin.

De in Kentucky geboren en in Tennessee opgegroeide actrice met een opvallend hese stem debuteerde tegenover Ronald Reagan in John and Mary (David Butler, 1949). Voorts onder meer in The Hasty Heart (tegenover Reagan; Vincent Sherman, 1949), Bright Leaf (met Cooper; Michael Curtiz, 1950), The Breaking Point (naar Ernest Hemingway; Curtiz, 1950), Three Secrets (Robert Wise, 1950), de oorlogsfilm Operation Pacific (met John Wayne; George Waggner, 1951), The Day the Earth Stood Still (Wise, 1951), Week-End with Father (Douglas Sirk, 1951), Diplomatic Courier (Henry Hathaway, 1952), A Face in the Crowd (Elia Kazan, 1957), Breakfast at Tiffany’s (Blake Edwards, 1961), Psyche 59 (Alexander Singer, 1964), In Harm’s Way (Otto Preminger, 1965), The Night Digger (Alastair Read, 1971), Baxter! (Lionel Jeffries, 1973), The Passage (J. Lee Thompson, 1979), Ghost Story (tegenover Fred Astaire; John Irvin, 1981), de titelrol in Cookie’s Fortune (Robert Altman, 1999) en Flying By (Jim Atatulli, 2009). Was gevraagd voor de rol van Mrs. Robinson in The Graduate (Mike Nichols, 1967), maar moest om gezondheidsredenen de eer aan Anne Bancroft laten. Grootmoeder van model en actrice Sophie Dahl.

Manon Alving


MET NEELTJE DE VREE IN ‘JANA’
87, Frieschepalen, 7 augustus, leverinfectie

Nederlands actrice. Eindexamen Amsterdamse Toneelschool in 1948, daarna werkzaam voor diverse gezelschappen en in 1966 met echtgenoot Jaap Maarleveld oprichter en artistiek leider van de Noorder Compagnie. Speelde bijrollen in speelfilms als Dokter Pulder zaait papavers (Bert Haanstra, 1975), Pastorale 1943 (Wim Verstappen, 1977), Kort Amerikaans (Guido Pieters, 1979), Een pak slaag (Haanstra, 1979), De aanslag (Fons Rademakers, 1986) en Tiramisu (Paula van der Oest, 2008), alsmede de korte eindexamenfilms Zuster Lydia zoekt het geluk (Frank Herrebout, 1985) en Jana (Joke Liberge, 2001) en in de serie Kort! de aflevering Vaderdag (Froukje Tan, 2009). Op televisie onder veel meer in de dramaproducties Een vlieger voor God (Jonne Severijn, 1981) en Chopsticks (Ron Termaat, 1995) en de series Dossier Verhulst (1986-87), Toen was geluk heel gewoon (1995-2004) en Bloedverwanten (2010).

Bruno Cremer


80, Parijs, 7 augustus, tongkanker

Frans acteur, eigenlijk Bruno Jean-Marie Crémer. Geboren in Frankrijk als kind van Belgische ouders. Actief in het theater en op televisie, waar hij 54 keer de rol van commissaris Maigret vertolkte (1991-2005), en in drie seizoenen van de Italiaanse maffiaserie La piovra (1989-92). Ook veel filmrollen, vooral als stoïcijnse held in oorlogsfilms en policiers. Officieus filmdebuut in Les dents longues (Daniel Gélin, 1951), eerste keer op de titelrol in Quand la femme s’en mêle (Yves Allégret, 1957). Voorts onder meer in La 317ème section (Pierre Schoendoerffer, 1965), Objectif: 500 million (Schoendoerffer, 1966), Paris brûle-t-il?/Is Paris Burning? (René Clément, 1966), Si j’étais un espion (Bertrand Blier, 1967), Un homme de trop (Costa-Gavras, 1967), Lo straniero (Luchino Visconti, 1967), Le viol (Jacques Doniol-Valcroze, 1967), Bye Bye, Barbara (Michel Deville, 1968), de titelrol in La bande à Bonnot (Philippe Fourastié, 1969), L’attentat (Yves Boisset, 1972), La chair de l’orchidée (Patrice Chéreau, 1975), Section spéciale (Costa-Gavras, 1975), Le bon et les méchants (Claude Lelouch, 1976), L’alpagueur (Philippe Labro, 1976), Sorcerer/Wages of Fear (William Friedkin, 1977), L’ordre et la sécurité du monde (Claude d’Anna, 1978), Une histoire simple (Claude Sautet, 1978), La légion saute sur Kolwezi (Raoul Coutard, 1980), Anthracite (Edouard Niermans, 1980), Une robe noire pour un tueur (José Giovanni, 1981), Espion, lève-toi (Boisset, 1982), Le prix du danger (Boisset, 1983), Le livre de Marie (Anne-Marie Miéville, 1984), Tenue de soirée (Blier, 1986), Falsch (Jean-Pierre en Luc Dardenne, 1987), De bruit et de fureur (Jean-Claude Brisseau, 1988), Noce blanche (Brisseau, 1989), Tumultes (Bertrand van Effenterre, 1990), Sous le sable (François Ozon, 2000), Mon père, il m’a sauvé la vie (Giovanni, 2001) en Là-haut, un roi au-dessus des nuages (Schoendoerffer, 2003).

Robert F. Boyle


100, Los Angeles, 1 augustus, natuurlijke dood

Amerikaans art director. Ontving in 2008 een speciale Oscar voor zijn hele oeuvre en is daarmee als 98-jarige nog steeds recordhouder als de oudste ontvanger van een Academy Award ooit. Werd vier keer eerder genomineerd, voor de art direction/set decoration van North by Northwest (Alfred Hitchcock, 1959), Gaily, Gaily (Norman Jewison, 1969), Fiddler on the Roof (Jewison, 1971) en The Shootist (Don Siegel, 1976). Leverde als assistent zijn eerste bijdrage aan The Wolf Man (met Lon Chaney; George Waggner, 1941). Voorts onder meer Saboteur (Hitchcock, 1942), Shadow of a Doubt (Hitchcock, 1943), For the Love of Mary (Frederick de Cordova, 1948), Week-End with Father (Douglas Sirk, 1951), Mystery Submarine (Sirk, 1951), Bronco Buster (Budd Boetticher, 1952), East of Sumatra (Boetticher, 1953), Abbott and Costello Go to Mars (Charles Lamont, 1953), It Came from Outer Space (Jack Arnold, 1953), Buchanan Rides Alone (Boetticher, 1958), The Crimson Kimono (Samuel Fuller, 1959), Cape Fear (J. Lee Thompson, 1962), The Birds (Hitchcock, 1963), The Thrill of It All (Jewison, 1963), Marnie (Hitchcock, 1964), The Russians Are Coming, The Russians Are Coming (Jewison, 1966), How to Succeed in Business without Really Trying (David Swift, 1967), In Cold Blood (Richard Brooks, 1967), The Thomas Crown Affair (Jewison, 1968), The Landlord (Hal Ashby, 1970), Portnoy’s Complaint (Ernest Lehman, 1972), Mame (Gene Saks, 1974), bite the Bullet (Brooks, 1975), W.C. Fields and Me (Arthur Hiller, 1976), The Big Fix (Jeremy Paul Kagan, 1978), Winter Kills (tevens bijrol; William Richert, 1979), Private Benjamin (Howard Zieff, 1980), The Best Little Whorehouse in Texas (Colin Higgins, 1982), Staying Alive (Sylvester Stallone, 1983), Table for Five (Robert Lieberman, 1983), Rhinestone (Bob Clark, 1984), Explorers (tevens bijrol; Joe Dante, 1985), Jumpin’ Jack Flash (Penny Marshall, 1986), Dragnet (Tom Mankiewicz, 1987) en Troop Beverly Hills (Jeff Kanew, 1989).