Russisch steractrice. Populaire heldin van komedies en musicals bij de Mosfilm-studio. Studeerde in 1958 als actrice af aan de Moskouse filmacademie VGIK. Debuteerde al eerder in Doroga pravdy/De weg van de waarheid (Yan Frid, 1956). Bekendste films: Karnavalnaja notsj/Carnavalsnacht (Eldar Rjazanov, 1957), Devoezjka s gitaroi/Het meisje met de gitaar (Rjazanov, 1958), Staryje steny/Oude muren (Viktor Tregoebovitsj, 1974), Dvadsat dnei bez vojny/Twintig dagen zonder oorlog (Aleksej German, 1977), Pjat vetsjerov/Vijf avonden (Nikita Michalkov, 1979), Poznavaja bjely svet (Kira Moeratova, 1979), Sibiriada/Siberiade (Andrei Michalkov-Kontsjalovski, 1980), Poljoty vo sne i najavoe/Flights in Dreams and Reality (Roman Balajan, 1983) enVokzal dlja dvoich/Station voor twee (Rjazanov, 1983).
In China geboren Hongkongs acteur, producent en regisseur, eigenlijk Tang Kwing Wong. Ster van tientallen actiefilms in de jaren zeventig, zowel in Hongkong als Taiwan. Internationaal was zijn bekendste film Dynamite Brothers (Al Adamson, 1974). Richtte in 1977 de productiemaatschappij Wing-Scope op. Trok daar de jonge scenarioschrijver Wong Karwai aan, die voor Tang films schreef als The Haunted Cop Shop of Horrors/Meng gui cha guan (Jeffrey Lau, 1987), Flaming Brothers/Dragon and Tiger Fight/Jiang hu long hu men (ook met Chow Yun Fat; Joe Cheung, 1987) en Return Engagement/Gods, Gangsters and Gamblers/Zai zhan jiang hu (Cheung, 1990). Tang zou daarna de twee eerste films van Wong als regisseur produceren, As Tears Go By/Wong gok ka moon (1988) en Days of Being Wild/A fei jingjyuhn (1990). Zelf regisseerde Tang twee films samen met Stanley Wing Siu, Chu ce/The Discharged (1977) en Jia fa/Law Don (1979).
Grieks toneel- en scenarioschrijver. Hoewel in eigen land beschouwd als de aartsvader van het moderne theater werd Kambanellis internationaal het meest bekend als tekstschrijver van de Mauthausencyclus, een reeks door Mikis Theodorakis gecomponeerde liederen (in het Nederlands gezongen door Liesbeth List) over het gelijknamige nazi-concentratiekamp, waar hij zelf ook gedetineerd was geweest. Een van zijn stukken, dat om censuurredenen nooit opgevoerd werd, vormde de basis van de internationale filmhit Stella (Michael Cacoyannis, 1955). Schreef een dozijn andere films, waarvan hij er twee zelf regisseerde, Snow White and the 7 Bachelors/I hionati kai ta 7 gerontopallikara (1960) en The Cannon and the Nightingale/To kanoni kai t’aidoni (1968).
Frans actrice, pseudoniem van Hélène Collet. Was verbonden aan de Comédie Française. Speelde ook in een flink aantal films, waaronder L’étrangleur (Paul Vecchiali, 1970), Souvenirs d’en France (André Téchiné, 1974), Salò o le 120 giornate di Sodoma (Pier Paolo Pasolini, 1975), Barocco (Téchiné, 1976), La machine (Vecchiali, 1977), Corps à coeur (Vecchiali, 1978), Les soeurs Brontë (Téchiné, 1978), C’est la vie (Vecchiali, 1980), La femme-enfant (Raphaële Billetdoux, 1980), En haut des marches (Vecchiali, 1983), Attention bandits! (Claude Lelouch, 1986), Australia (Jean-Jacques Andrien, 1988), Trois places pour le 26 (Jacques Demy, 1988), A la place du coeur (Robert Guédiguian, 1998), Le temps retrouvé (Raoul Ruiz, 1998), Ce jour-là (Ruiz, 2003), Le divorce (James Ivory, 2003), Confidences trop intimes (Patrice Leconte, 2004) en Ensemble, c’est tout (Claude Berri, 2006).
Amerikaans acteur. Filmencyclopedist Ephraïm Katz beschreef Granger als “typecast as in pretty-boy-with-an-ugly-problem roles”. De bekendste zijn die van de moordenaar van goede komaf in Rope (tegenover James Stewart; Alfred Hitchcock, 1948) en de tennisprof in Strangers on a Train (Hitchcock, 1951). Zijn beste rol speelde hij nagesynchroniseerd in het Italiaans, als de Oostenrijkse luitenant Franz Mahler in het elegante kostuumdrama Senso (Luchino Visconti, 1954). Granger werd ontdekt door Samuel Goldwyn, toen hij nog op de middelbare school in North Hollywood zat en debuteerde als jonge Rus in de oorlogsfilm The North Star (Lewis Milestone, 1943). Tot zijn overige films behoren The Purple Heart/Voor moed, beleid en trouw (Milestone, 1944), Enchantment (Irving Reis, 1948), Roseanna McCoy (Reis, 1949), de klassieke film noir They Live by Night (Nicholas Ray, 1949),
Side Street (Anthony Mann, 1950), Our Very Own (David Miller, 1950), Edge of Doom (Mark Robson, 1950), Behave Yourself! (George Beck, 1950), I Want You (Robson, 1951), Full House (episode van Henry King, 1952), Hans Christian Andersen (tegenover Danny Kaye; Charles Vidor, 1952), The Story of Three Loves (episode van Vincente Minnelli, 1953), Small Town Girl (László Kardos, 1953), The Naked Street (Maxwell Shane, 1955) en The Girl in the Red Velvet Swing (Richard Fleischer, 1955). Daarna vooral televisie en enkele obscure Italiaanse films, maar ook de immens succesvolle westernkomedie Lo chiamavano Trinità…/They Call Me Trinity/De linker- en de rechterhand van de duivel (Enzo Barboni alias E. B. Clucher, 1970), Le serpent (Henri Verneuil, 1973), de paellawestern A Man Called Noon/Un hombre llamado Noon (Peter Collinson, 1973), de horrorproductie The Prowler (Joseph Zito, 1981) en The Next Big Thing (P.J. Posner, 2001). Van 1963 tot zijn dood in 2008 partner van televisieproducent Robert Calhoun.
Fosco (links) en Donatello Dubini 55, Keulen, 26 maart, aan een ernstige ziekte
Zwitsers regisseur en cameraman. Studeerde film in Wenen (1975-77) en filmwetenschap in Keulen, waar hij in 1982 afstudeerde op het werk van de Zwitserse documentairemaker Richard Dindo. Maakte samen met zijn broer Fosco een aantal lange films die documentaire en fictie op geraffineerde wijze verweven, met speciale aandacht voor de mythologische effecten van de roem. Onder meer Ludwig 1881 (1993), Jean Seberg: American Actress (1997), Die Reise nach Kafiristan (2001) en Hedy Lamarr: Secrets of a Hollywood Star (2006). Enkele van hun films werden in Nederland uitgebracht door Contact Film. Medeoprichter van het Kölner Filmhaus en het productie- en distributiecollectief Der andere Blick.