55, Bosvoorde(Brussel), 18 november, in zijn slaap
Belgisch bijrolacteur. Veel televisie, enkele films: Springen (Jean-Pierre De Decker, 1985), De Leeuw van Vlaanderen (Hugo Claus, 1985), Daens (Stijn Coninx, 1992), Meisje (Dorothée Van Den Berghe, 2002).
Zwitsers acteur en modeontwerper, pseudoniem van Pietro Roberto Strub. Werd bekend als de jonge carabiniere verliefd op Gina Lollobrigida in Pane, amore e fantasia (Luigi Comencini, 1953) en het vervolg Pane, amore e gelosia (Comencini, 1954). Debuteerde met een kleine rol in Il leone di Amalfi (Pietro Francisci, 1950). Voorts onder meer Domani è un altro giorno (Léonide Moguy, 1951), La valigia dei sogni (Comencini, 1953), Donne proibite/Verboden vrouwen (Giuseppe Amato, 1954), Bonnes à tuer (Henri Decoin, 1954), Paris, Palace Hôtel (Henri Verneuil, 1956), A Breath of Scandal (Michael Curtiz, 1960), La città prigioniera/Conquered City (Joseph Anthony, 1962), The Valiant (Roy Ward Baker, 1962), Il gladiatore di Roma (Mario Costa, 1962), als Paris in L’ira di Achille/Achilles (Marino Girolami, 1962) en Il giorno piu’ corto (Sergio Corbucci, 1963), een parodie op The Longest Day. Laatste rol als Robert Rice in de spaghettiwestern Odia il prossimo tuo/Hate Thy Neighbor (Ferdinando Baldi, 1968). Daarna Italiaanse televisiepersoonlijkheid en modeontwerper.
Spaans regisseur. Droeg als liberale rebel met collega Juan Anntonio Bardem (een oom van acteur Javier Bardem) lange tijd de reputatie van de Spaanse kwaliteitsfilm onder Franco op zijn schouders. Bardem en Berlanga leerden elkaar kennen als studenten aan de Madrileense filmschool Instituto de Investigaciones y Experiencas Cinematográficas(IIEC) en schreven en regisseerden samen de komedie Esa pareja feliz/That Happy Pair (1951). De internationale doorbraak kwam met de enthousiaste ontvangst in Cannes van de door beiden geschreven satire Bienvenido Mister Marshall (Berlanga, 1952). Plácido (1961) werd genomineerd voor een Oscar en ook El verdugo/De beul (1963) genoot een internationale carrière. Aan eindeloze schermutselingen met de censuur kwam een einde, toen Franco in 1975 stierf en de dictatuur ophield te bestaan. Berlanga trok veel aandacht met de Frans-Spaanse coproductie Grandeur nature/Life Size (1974), waarin Michel Piccoli een affaire onderhoudt met een opblaaspop. De satire La escopeta nacional (1978) was zeer succesvol bij het Spaanse publiek, evenals de vervolgen Patrimonio nacional (1981) en Nacional III (1982). Todos a la cárcel (1993) won drie nationale filmprijzen, de zogeheten Goya’s, onder meer voor beste film en regie. Jurylid in Cannes (1979), Berlijn (voorzitter, 1968) en Venetië (1960 en 1982).
89, Roinville-sous-Dourdan (dep. Essonne), 11 november, natuurlijke dood
Frans actrice, geboren als Simone Jeannine Gondolf. Weduwe van acteur Jean Desailly, met wie ze zowel in het theater als in films optrad. Debuut in Premier rendez-vous (Henri Decoin, 1941). Voorts onder meer in Barry (Richard Pottier, 1948), Manon (Henri-Georges Clouzot, 1949), La beauté du diable (René Clair, 1950), tegenover Luis Mariano in Violette impériales (Pottier, 1952), Les grandes manoeuvres (Clair, 1955), tegenover Fernandel in Les vignes du seigneur (Jean Boyer, 1958), Germinal (Yves Allégret, 1963), La curée/De prooi (Roger Vadim, 1965), Le franciscain de Bourges (Claude Autant-Lara, 1968), L’ardoise (Claude Bernard-Aubert, 1969), Un flic (Jean-Pierre Melville, 1972), The Assassination of Trotsky (Joseph Losey, 1972) en Equipe de nuit (Claude d’Anna, 1988).
91, Beverly Hills, 11 november, doodsoorzaak onbekend
Italiaans producent, eigenlijk Agostino de Laurentiis. Pionier van de onafhankelijke en internationale filmproductie, waarbij grote risico’s niet worden geschuwd. Bracht Amerikaanse regisseurs en acteurs naar Italië en bouwde een eigen imperium op in de Verenigde Staten. Was getuige van de opkomst en ondergang van twee eigen filmstudio’s, Dinocittà in Rome en de studio van de DeLaurentiis Entertainment Group (DEG) in Wilmington, North Carolina. Won samen met Sophia Lorens echtgenoot Carlo Ponti een Oscar voor de beste niet-Engelstalige film, La strada (Federico Fellini, 1954) en voor zijn hele oeuvre de Irving Thalberg Award (2001) en een speciale Gouden Leeuw in Venetië (2003).
Zoon van een pastafabrikant uit Torre Annunziata ging naar Rome om als acteur te worden opgeleid aan het Centro Sperimentale Cinematografica. Debuteerde op 22-jarige leeftijd als producent met L’amore canta (Ferdinando Maria Poggioli, 1941). Behaalde zijn eerste grote successen met neo-realistische films als Il bandito (Alberto Lattuada, 1946) en vooral het erotisch getinte Riso amaro/Bittere rijst (Giuseppe de Santis, 1949). Hetzelfde jaar trouwde hij met hoofdrolspeelster Silvana Mangano, die in 1989 zou overlijden.
De samenwerking tussen De Laurentiis en Ponti resulteerde onder meer in Anna (Lattuada, 1951), Ulisse (met Kirk Douglas in de titelrol; Mario Camerini, 1954), L’oro di Napoli (Vittorio de Sica, 1954) en de superproductie naar Tolstoi’s War and Peace (King Vidor, 1956). De eerste grote productie zonder Ponti, Le notti di Cabiria (Fellini, 1957), won ook een Oscar als beste buitenlandse film. Daarna volgden titels als La grande guerra (Mario Monicelli, 1959), Sotto dieci bandiere/Under Ten Flags (Duilio Coletti, 1960), The Best of Enemies/I due nemici (Guy Hamilton, 1961), Barabba/Barabbas (Richard Fleischer, 1961), Le tigre se parfume à la dynamite (Claude Chabrol, 1965), La Bibbia/The Bible: In the Beginning (John Huston, 1966), Lo straniero/The Stranger (Luchino Visconti, 1967), de cultklassieker Barbarella (Roger Vadim, 1968) en Barbagia (Carlo Lizzani, 1969). Met de flop van het naar schatting 25 miljoen dollar kostende spektakel Waterloo (Sergei Bondartsjoek, 1970) en de ondergang van de Romeinse studio begon een nieuwe periode, die de producent naar Amerika zou doen verhuizen.
De gangsterfilmThe Valachi Papers (Terence Young, 1972) vormde een goede start, maar nog beter voor zijn reputatie was de lancering van Al Pacino als superster, kort na The Godfather, in de hoofdrol van Serpico (Sidney Lumet, 1973). De Laurentiis’ Amerikaanse output was een bonte mengeling van dure flops, goedkope hits en prestigefilms.
Voor elke Dune (David Lynch, 1984) en Tai-Pan (Daryl Duke, 1986) revancheerde hij zich met een in Wilmington opgenomen Blue Velvet (Lynch, 1986). Onder veel meer maakte hij Gouden Beerwinnaar Buffalo Bill and the Indians or Sitting Bull’s History Lesson (Robert Altman, 1976), Drum (Steve Carver, 1976), King Kong (John Guillermin, 1976), The Serpent’s Egg/Das Schlangenei (Ingmar Bergman, 1977), Hurricane (begonnen door Roman Polanski, afgemaakt door Jan Troell, 1979), Flash Gordon (Mike Hodges, 1980), Ragtime (Milos Forman, 1981), Conan the Barbarian (John Milius, 1982), The Dead Zone (David Cronenberg, 1983), The Bounty (Roger Donaldson, 1984), Year of the Dragon (Michael Cimino, 1985), Maximum Overdrive (Stephen King, 1986), de eerste film met het personage dr. Hannibal Lecktor (later Lecter) Manhunter (Michael Mann, 1986), Army of Darkness (Sam Raimi, 1992), Breakdown (Jonathan Mostow, 1997), Hannibal (Ridley Scott, 2001), Hannibal Rising (Peter Webber, 2007) en The Last Legion (Doug Lefler, 2007). Werkte behalve met zijn broer Luigi, neef Aurelio en dochter Raffaella de Laurentiis ook geruime tijd samen met de Nederlandse financiële man Charles van Droffelaar, nu eigenaar van de Bossche distributiefirma Moonlight Films.
99, San Clemente CA, 11 november, doodsoorzaak onbekend
Amerikaans kinderactrice en wardrobe mistress, geboren als Helen Alice Myres. Werd als driejarige ontdekt door regisseur Henry King, die haar een jongensrol gaf in Should a Wife Forgive? (1915). Was daarna de ster van het populaire drama Little Mary Sunshine (King, 1916) en speelde tot haar achtste in nog een kleine dertig korte en lange films, waaronder een reeks zogeheten Baby Marie-films van regisseur William Bertram, bij voorbeeld Daddy’s Girl (1918), Cupid by Proxy (1918), The Old Maid’s Baby (1919) en Miss Gingersnap (1919). Haar roem leidde zelfs tot het op de markt brengen van Baby Marie-poppen, maar haar stiefouders wisten alle inkomsten snel te verkwanselen. Na een baantje als winkelbediende, bezorgde King haar figurantenrollen. Zo was ze ook de stand-in van Ginger Rogers in bij voorbeeld The Gay Divorcee (Mark Sandrich, 1934), Swing Time (George Stevens, 1936) en Shall We Dance? (Sandrich, 1937). Nog later kreeg ze werk op de kledingafdeling van films als Cleopatra (Joseph L. Mankiewicz, 1963) en The Way We Were (Sydney Pollack, 1973). Credits als wardrobe mistress voor onder meer How to Murder Your Wife (Richard Quine, 1965), The Godfather: Part II (Francis Ford Coppola, 1974) en Harry and Walter Go to New York (Mark Rydell, 1976).