Peter Bogdanovich

82, Los Angeles, 6 januari, complicaties ziekte van Parkinson

 

Amerikaans regisseur, acteur, scenarioschrijver, producent en filmjournalist. Naast Martin Scorsese de meest cinefiele in de golf van nieuwe Amerikaanse auteur-regisseurs van de jaren 70, begonnen als filmcriticus en programmeur van het New Yorkse Museum of Modern Art en het New Yorker Theater. Debuteerde bij B-filmproducent Roger Corman, eerst onder het pseudoniem Derek Thomas met Voyage to the Planet of Prehistoric Women (1968), een Amerikaanse bewerking met nieuw gedraaide scènes, van de Russische science-fictionfilm Planeta boer/Planet of the Storms (Pavel Kloezjantsev, 1962), en daarna officieel met Targets (ook productie, scenario en montage; 1968), een horrorfilm over moord in een drive-in-bioscoop, waarvoor hij griezellegende Boris Karloff wist te strikken. Bogdanovich’ tweede film, The Last Picture Show (1971), een nostalgische zwart-witfilm in de stijl van John Ford, over een klein stadje in Texas begin jaren 50, kreeg acht Oscarnominaties, waarvan twee voor Bogdanovich: regie en het samen met de auteur van het originele boek, Larry McMurtry, geschreven scenario. Ook de twee volgende films werden zeer goed ontvangen: What’s Up, Doc? (tevens scenario en productie; 1972), een commercieel succesvolle hommage aan de screwball comedy met Barbra Streisand, en Paper Moon (tevens productie; 1973), een wederom Fordiaanse zwart-witfilm met vader en dochter Ryan en Tatum O’Neal als oplichtersduo op het platteland tijdens de Grote Depressie. Het vervolg van Bogdanovich’ filmcarrière kende ups en downs, met een nadruk op de laatste categorie. Twee films met zijn geliefde Cybill Shepherd in de hoofdrol, Daisy Miller (tevens productie, naar Henry James; 1974) en de Cole Porter-musical At Long Last Love (tevens scenario en productie; 1975) haalden de Nederlandse bioscoop niet eens, tot groot ongenoegen van zijn fans, in een tijdperk zonder video, dvd of streaming.

Daarna volgden Nickelodeon (tevens scenario, competitie Berlijn; 1976), Saint Jack (tevens scenario; 1979), de romcom They All Laughed (tevens scenario, met Audrey Hepburn en Ben Gazzara; 1981), de hit Mask (competitie Cannes; 1985), de geflopte komedie Illegally Yours (tevens productie; 1985), Texasville (een vervolg op The Last Picture Show, tevens productie en scenario; 1990), de verfilming van de toneelhit Noises Off (tevens executive producer; 1992), The Thing Called Love (met River Phoenix in Nashville; 1993), The Cat’s Meow (over de moord in 1924 op filmproducent Thomas H. Ince; 2001) en de deels autobiografische screwball comedy She’s Funny That Way/Squirrels to the Nuts (competitie Venetië; 2014). De laatste film was gebaseerd op een script van Bogdanovich en zijn ex-vrouw Louise Stratten, de jongere zus van model Dorothy Stratten, met wie hij eerder een relatie had, toen ze in 1980 door haar jaloerse ex-man vermoord werd. De affaire vormde de basis voor de films Star 80 (Bob Fosse, 1983) en de tv-film Death of a Centerfold: The Dorothy Stratten Story (Gabrielle Beaumont, 1981). Bogdanovich formuleerde zijn eigen visie in het boek The Killing of the Unicorn:  Dorothy Stratten 1960-1980 (1984).

Regisseur van enkele documentaires: Directed by John Ford (1971, geheel herziene versie 2006), het vierdelige Tom Petty and the Heartbreakers: Runnin’ Down a Dream (2007) en The Great Buster: A Celebration (over Buster Keaton; 2018).

Een levenslange vriendschap met en bewondering voor Orson Welles, die enige tijd bij Bogdanovich in huis woonde, leidde onder meer tot een hoofdrol in The Other Side of the Wind (Welles, opnamen vanaf 1970, postuum voltooid in 2018).

Petar Bogdanovic werd geboren in Kingston NY, twee maanden na de aankomst van zijn familie in de VS: zijn vader was een Servische schilder-pianist, zijn moeder had een Oostenrijks-Joodse afkomst. Servo-Kroatisch was de eerste taal van de regisseur. Vanaf zijn dertiende hield hij een kaartenbak bij met recensies en beschrijvingen van de tot aan 400 films per jaar die hij zag. De encyclopedische filmkennis van Bogdanovich was legendarisch. Hij schreef artikelen voor onder meer Esquire en The Saturday Evening Post die werden gebundeld in Pieces of Time (1973).

Studeerde aan de Stella Adler Conservatory en wilde aanvankelijk acteur worden. Behalve in enkele van zijn eigen films speelde hij rollen in Lions Love (Agnès Varda, 1969), Opening Night (John Cassavetes, 1977), Mr. Jealousy (Noah Baumbach, 1997), Highball (Baumbach, 1997), 54 (Mark Christopher, 1998), Coming Soon (Colette Burson, 1999), The Independent (Stephen Kessler, 2000), de tv-serie The Sopranos (als de psychiater van Dr. Malfi; 2000-07), Festival in Cannes (Henry Jaglom, 2001), The Definition of Insanity (Robert Margolis en Frank Matter, 2004), Scene Stealers (Craig Mowry, 2004), Infamous (Douglas McGrath, 2006), Dedication (Justin Theroux, 2007), Broken English (Zoe R. Cassavetes, 2007), The Dukes (Robert Davi, 2007), The Fifth Patient (Amir Mann, 2007), The Doorman (Wayne Price, 2007), Humboldt County (Darren Grodsky en Danny Jacobs, 2008), Queen of the Lot (Jaglom, 2010), Don’t Let Me Go (Giorgio Serafini, 2013), Cold Turkey (Will Slocombe, 2013), Are You Here (Matthew Weiner, 2013), While We’re Young (Baumbach, 2014), Pearly Gates (Scott Ehrlich, 2015), Durant’s Never Closes (Travis Mills, 2016), The Tell-Tale Heart (John La Tier, 2016), Between Us (Rafael Palacio Illingworth, 2016), Six LA Love Stories (Michael Dunaway, 2016), Los Angeles Overnight (Michael Chrisoulakis, 2018), Reborn (Julian Richards, 2018), The Creatress (Jason Cook, 2019), It Chapter Two (Andy Muschietti, 2019) en Willie and Me (Eva Hassmann, 2020).

Te zien en horen in documentaires als Dorothy Stratten: The Untold Story (Marshall Flaum, 1985), Hollywood Mavericks (Florence Dauman en Dale Ann Stieber, 1990), With Orson Welles: Stories of a Life in Film (Leslie Megahey, 1990), L’homme qui a vu l’homme qui a vu l’ours (André S. Labarthe, 1990), Picture This: The Times of Peter Bogdanovich in Archer City, Texas (George Hickenlooper, 1991), Preminger: Anatomy of a Filmmaker (Valerie A. Robins, 1991), Cinéma! Cinéma! The French New Wave (Christopher Spencer, 1992), het tweedelige Jean Renoir (David M. Thompson, 1993), Working with Orson Welles (Guy Graver, 1993), It’s Alive: The True Story of Frankenstein (Richard Brown, 1994), Josef von Sternberg: The Man Who Made Dietrich (Thompson, 1994), A Personal Journey with Martin Scorsese Through American Movies (Martin Scorsese en Michael Henry Wilson, 1995), Who Is Henry Jaglom? (Henry Alex Rubin en Jeremy Workman, 1995), Ben Johnson: Third Cowboy on the Right (Tom Thurman, 1996), Howard Hawks: American Artist (Kevin Macdonald, 1997), Hitchcock: Shadow of a Genius (Ted Haimes, 1999), The Shoe Store (Steve Proto, 1999), The Last Picture Show: A Look Back (Laurent Bouzereau, 1999), Orson Welles en el país de Don Quijote (Carlos Rodriguez, 2000), A Constant Forge (over Cassavetes; Charles Kiselyak, 2000), It Conquered Hollywood! The Story of American International Pictures (als verteller; Eamon Harrington en John Watkin, 2001), Schlock! The Secret History of American Movies (Ray Greene, 2001), New York at the Movies (Nick Davis, 2002), John Ford Goes to War (Thurman, 2002), Easy Riders, Raging Bulls; How the Sex, Drugs and Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood (naar het gelijknamige boek van Peter Biskind; Kenneth Bowser, 2003), A Decade under the Influence (Ted Demme en Richard LaGravenese, 2003), Edgar G. Ulmer: The Man Off-Screen (Michael Palm, 2004), Personal History: Foreign Hitchcock (Bouzereau, 2004), 3D: A Brief History (Bouzereau, 2004), Silent Hollywood: Cult, Stars, Scandals (Eckhart Schmidt, 2005), Boffo! Tinseltown’s Bombs and Blockbusters (Bill Couturié, 2006), Edge of Outside (Shannon Davis, 2006), Wanderlust (Shari Springer Berman en Robert Pulcini, 2006), Searching for Orson (verteller; Dominik en Jakov Sedlar, 2006), Karloff and Me (Sam Borowski, 2006), No Subtitles Necessary: Laszlo & Vilmos (James Chressanthis, 2008), Vittorio D. (Mario Canale en Annarosa Morri, 2009), The Last of the Old Masters: Peter Bogdanovich on Allan Dwan (Robert Fischer, 2009), Godard Made in USA (Luc Lagier, 2010), Dreaming the Quiet Man (over Ford; Sé Merry Doyle, 2010), Corman’s World: Exploits of a Hollywood Rebel (Alex Stapleton, 2011), By Bogdanovich (Adam Hulin, 2011), Casting By (Tom Donahue, 2012), Smiling through the Apocalypse (over Esquire; Tom Hayes, 2013), Magician: The Astonishing Life and Work of Orson Welles (Chuck Workman, 2014), Hitchcock/Truffaut (Kent Jones, 2015), This Is Orson Welles (Clara en Julia Kuperberg, 2015), 78/52 (over de douchescène in Psycho; Alexandre O. Philippe, 2017), Bombshell: The Hedy Lamarr Story (Alexandra Dean, 2017), We Blew It (Jean-Baptiste Thoret, 2017), Be Natural: The Untold Story of Alice Guy-Blaché (Pamela B. Green, 2018), They’ll Love Me When I’m Dead (over Welles; Morgan Neville, 2018), A Final Cut for Orson: 40 Years in the Making (Ryan Suffern, 2018), Tesla Nation (Zeljko Mirkovic, 2018), Carl Laemmle (James L. Freedman, 2019), Pollywood (Pawel Ferdek, 2020), Skin: A History of Nudity in the Movies (Danny Wolf, 2020), Boris Karloff: The Man behind the Monster (Thomas Hamilton, 2021), Dean Martin: King of Cool (Donahue, 2021) en het nog uit te brengen The Wild One (over Jack Garfein; Tessa Louise-Salomé, 2022).

Richtte met collega-regisseurs Francis Ford Coppola en William Friedkin begin jaren 70 ‘The Directors Company’ op, die een aantal films maakte voor Paramount, waaronder Paper Moon.

Publiceerde behalve de hier boven genoemde titels boeken als The Cinema of Orson Welles (1961), The Cinema of Howard Hawks (1962), The Cinema of Alfred Hitchcock (1963), John Ford (1967), Fritz Lang in America (1967), Allan Dwan: The Last Pioneer (1970), This Is Orson Welles (1992), A Momen with Miss Gish (1995), Who the Devil Made It: Conversations with Legendary Film Directors (1997), Peter Bogdanovich’s Movie of the Week (1999) en Who the Hell’s in It: Conversations with Hollywood’s Legendary Actors (2004). Persoonlijk failliet verklaard in 1985 en 1997. Gescheiden van producent en art director Polly Platt.

Plaats een reactie