Sidney Poitier

94, Los Angeles,  6 januari, natuurlijke dood

Amerikaans-Bahamaans steracteur, regisseur en diplomaat. Eerste Afro-Amerikaanse acteur die een Oscar won voor beste hoofdrol, als een klusjesman van Duitstalige nonnen in Lilies of the Field (Ralph Nelson, 1963). Eerder was Poitier al de eerste Afro-Amerikaan die in dezelfde categorie genomineerd werd, voor The Defiant Ones (Stanley Kramer, 1958). In 2002 ontving hij een ere-Oscar voor zijn hele oeuvre. Hoewel Poitier zijn aanvankelijke bekroning wantrouwde als mogelijke symboolpolitiek, omarmde hij zijn positie als zwart rolmodel, ten tijde van de Burgerrechtenbeweging. Zo verweerde hij zich tegen racisme als inspecteur Tibbs in In the Heat of the Night/De nacht van inspecteur Tibbs (Norman Jewison, 1967) en twee vervolgfilms: They Call Me Mister Tibbs! (Gordon Douglas, 1970) en The Organization (Don Medford, 1971). Ook was hij de helft van een interraciaal paar, op dat moment een novum in Hollywood, in Guess Who’s Coming to Dinner (Kramer, 1967). In dat jaar zei Poitier dat hij graag meer schurken of anderszins minder nobele personages zou spelen, maar daar voor hem als enige zichtbare zwarte acteur de tijd nog niet rijp voor was. Poitier werd drie maanden te vroeg geboren, toen zijn ouders toevallig in Miami waren, en verwierf daardoor automatisch ook de Amerikaanse nationaliteit, hoewel hij opgroeide op Cat Island, een van de eilanden van de Bahama’s, destijds een Britse kroonkolonie, waar zijn ouders tomaten kweekten. Emigreerde in 1943 naar de VS, waar hij in een psychiatrisch legerziekenhuis werkte en vervolgen ging toneelspelen bij het American Negro Theater. Ook hoorde hij tot de oprichters van het radicale Committee for the Negro in the Arts (1947). Hij maakte zijn filmdebuut in No Way Out (Joseph L. Mankiewicz, 1950), als een arts die een witte racist (Richard Widmark) moet behandelen. Er volgden enkele minder opvallende rollen, in het Britse Cry, the Beloved Country (als Zuid-Afrikaanse dominee; Zoltan Korda, 1951), in Red Ball Express (Budd Boetticher, 1952) en als een van de Harlem Globetrotters in Go Man Go (James Wong Howe, 1954). De internationale doorbraak was Poitiers rol als een rebelse scholier in Blackboard Jungle (Richard Brooks, 1955). De rollen zouden omdraaien in een van Poitiers andere grote successen, het Engelse To Sir, with Love (James Clavell, 1967), waarin Poitier als leraar in Londen te maken krijgt met witte doerakken.

Poitier zou ook de hoofdrol spelen in vijf van de negen films die hij zelf regisseerde, te beginnen met Buck and the Preacher/Buck de priester en de duivel (tegenover Harry Belafonte; 1972), gevolgd door A Warm December (1973), Uptown Saturday Night (tegenover Belafonte en Bill Cosby; 1974), Let’s Do It Again (tegenover Cosby; 1975) en A Piece of the Action (tegenover Cosby; 1977).  Zijn grootste hit als regisseur was de komedie Stir Crazy (met Gene Wilder en Richard Pryor; 1980), gevolgd door Hanky Panky (met Wilder; 1982), de dansfilm Fast Forward (1985) en de flop Ghost Dad (met Cosby; 1990).

Overige films als acteur: Good-bye, My Lady (zijn favoriete regisseur William A. Wellman, 1956), Edge of the City/Dreiging! (tegenover John Cassavetes; Martin Ritt, 1957), Something of Value (als Mau Mau-strijder; Brooks, 1957), Band of Angels (tegenover Clark Gable; Raoul Walsh, 1957), het in Biafra opgenomen The Mark of the Hawk (tegenover Eartha Kitt; Michael Audley, 1957), Virgin Island (tegenover Cassavetes; Pat Jackson, 1958), in de mannelijke titelrol van Gershwins opera Porgy and Bess (voor het eerst top-billed, maar ingezongen door Robert McFerrin, want Poitier was toondoof; Otto Preminger, 1959), All the Young Men (Hall Bartlett, 1960), de verfilming van het baanbrekende toneelstuk A Raisin in the Sun (in de hoofdrol die hij ook op Broadway had gespeeld; Daniel Petrie, 1961), Paris Blues (tegenover zijn toenmalige levenspartner Diahann Carroll en Paul Newman; Ritt, 1961), Pressure Point (als gevangenispsychiater en voor het eerst top-billed boven witte tegenspelers; Hubert Cornfield, 1962), The Long Ships (tegenover Widmark; Jack Cardiff, 1964), The Greatest Story Ever Told (als Simon van Cyrene; George Stevens, 1965), The Bedford Incident (tegenover Widmark; James B. Harris, 1965), The Slender Thread/Telefoon om 7 uur 56 (top-billed tegenover Anne Bancroft; Sydney Pollack, 1965), A Patch of Blue (top-billed tegenover Shelley Winters; Guy Green, 1965), de western Duel at Diablo (Nelson, 1966), For Love of Ivy (tevens origineel verhaal; Daniel Mann, 1968), The Lost Man (top-billed tegenover zijn latere echtgenote Joanna Shimkus; Robert Alan Aurthur, 1969), Brother John (top-billed; James Goldstone, 1971), The Wilby Conspiracy/The Wind of Violence (top-billed tegenover Michael Caine, Rijk de Gooyer en Rutger Hauer; Nelson, 1975), Shoot to Kill/Deadly Pursuit (top-billed; Roger Spottiswoode, 1988), Little Nikita (top-billed tegenover River Phoenix; Richard Benjamin, 1988), Sneakers (tegenover Robert Redford; Phil Alden Robinson, 1992) en The Jackal (tegenover Bruce Willis en Richard Gere; Michael Caton-Jones, 1997).

Sporadische tv-rollen in bij voorbeeld de sequel To Sir, with Love II (Peter Bogdanovich, 1996), als Nelson Mandela in Mandela and De Klerk (Joseph Sargent, 1997) en als psychiater in een remake van David and Lisa (Lloyd Kramer, 1998).

Directielid van The Walt Disney Company (1995-2003). Poitier publiceerde drie autobiografische boeken: This Life (1980), The Measure of a Man: A Spiritual Autobiography (2000) en Life beyond Measure: Letters to My Great-Granddaughter (2008), alsmede de roman Montaro Caine (2013). Historicus Aram Goudsouzian schreef de biografie Sidney Poitier: Man, Actor, Icon (2004). Als burger van een staat in het Brits Gemenebest werd Poitier in 1974 honorair in de adelstand verheven (ridder-commandeur), al kon hij de titel ‘Sir’ als Amerikaans staatsburger niet gebruiken. Ambassadeur van de Bahama’s in Japan (1997-2007) en bij de UNESCO (2002-07).

Plaats een reactie