Willy Kurant

87, Parijs, 1 mei, doodsoorzaak onbekend

Belgisch chef-cameraman, soms vermeld als Willy Kourant of Willie Curtis. Neef (volgens sommige bronnen: zoon) van de Duitse cameraman Curt Courant. Verantwoordelijk voor het beeld van Gouden Palmwinnaar Sous le soleil de Satan (Maurice Pialat, 1987), dat hem ook een César-nominatie opleverde. Draaide ook Masculin féminin (Jean-Luc Godard, 1966) en Histoire immortelle (Orson Welles, 1968). Vermaard om zijn toepassing van natuurlijk licht en wendbare cameravoering, nadat hij op de Wereldtentoonstelling van Brussel (1958) de Arriflex-camera had ontdekt. Geen formele cameraopleiding, liep stage in filmlaboratorium en in de Britse Pinewood-studio. Eerste lange speelfilm: Les créatures (Agnès Varda, 1966), na ruime ervaring met documentaires, onder meer in Congo en Vietnam, maar ook bij voorbeeld Klinkaart (Paul Meyer, 1956), Mon frère Jacques (Pierre Prévert, 1961), Béjart (François Weyergans, 1961), Les idoles (Marin Karmitz, 1963), Dans le vent (Jacques en William Rozier, 1963), Pehlivan (Pialat, 1964), Maître Galip (Pialat, 1964), La corne d’or (Pialat, 1964), Istanbul (Pialat, 1964), Byzance (Pialat, 1964), Bosphore (Pialat, 1964), 4 fois D (Philippe Labro, 1964) en Elsa la rose (Varda, 1966), alsmede de korte speelfilms Un jour à Paris (Serge Korber, 1962), Nuit noire, Calcutta (Karmitz, 1964), La cage aux oiseaux (Jean-Christophe Averty, 1964) en La brûlure de mille soleils (Pierre Kast, 1965).

Overige films onder meer Trans-Europ-Express (Alain Robbe-Grillet, 1966), de tv-film Anna (met Anna Karina; Pierre Koralnik, 1967), Mon amour, mon amour (Nadine Trintignant, 1967), Le départ (Jerzy Skolimowski, 1967), delen van de omnibusdocumentaire Loin du Vietnam (1967), The Night of the Following Day/Ontvoering op Orly (Hubert Cornfield, 1969), Michael Kohlhaas – Der Rebell (Volker Schlöndorff, 1969), Tout peut arriver (Labro, 1969), Bhakti (Maurice Béjart, 1970), Le temps de mourir (André Farwagi, 1970), Cannabis/Het speelgoed van de duivel (Koralnik, 1970), The Deep (Welles, 1970), Les jours gris (Iradj Azimi, 1974), Je t’aime, moi non plus (Serge Gainsbourg, 1976), de lange documentaire Le fond de l’air est rouge (samen met Pierre_William Glenn; Chris. Marker, 1977), The Incredible Melting Man (William Sachs, 1977), Harper Valley P.T.A. (Richard C. Bennett, 1978), Mama Dracula (Boris Szulzinger, 1980), Running Scared (Paul Glickler, 1980), Tag: The Assassination Game (Nick Castle, 1982), Les îles (Azimi, 1983), Équateur (Gainsbourg, 1983), Tuff Turf (Fritz Kiersch, 1985), Flagrant désir (Claude Faraldo, 1986), A State of Emergency (Bennett, 1986), Charlotte for Ever (Gainsbourg, 1986), Milan noir (Ronald Chammah, 1988), Un été d’orages (Charlotte Brandström, 1989), Aventure de Catherine C. (Pierre Beuchot, 1990), Le Grand Pardon II (Alexandre Arcady, 1992), Cuisine et dépendances (Philippe Muyl, 1993), China Moon (John Bailey, 1994), A Business Affair (Brandström, 1994), Le petit garçon (Pierre Granier-Deferre, 1995), The Baby-Sitters Club (Melanie Mayron, 1995), White Man’s Burden (Desmond Nakano, 1995), Le jour et la nuit (Bernard-Henri Lévy, 1997), The New Swiss Family Robinson (Stewart Raffill, 1998), Delivering Milo (Castle, 2001), Pootie Tang (Louis C.K., 2001), Un été brûlant (Philippe Garrel, 2011) en La jalousie (Garrel, 2013). Zowel lid van de Association française des directeurs de la photographie cinématographique (AFC) als van de American Society of Cinematographers (ASC).

Plaats een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.